Deze week stond er een mannetje op ons erf met de vraag of hij met zijn metaaldetector ons weiland af mocht speuren. “Er zouden wel eens mooie munten of munitie uit vroeger tijden kunnen liggen.” Wij keken naar de grijze lucht, waar onophoudelijk regendruppels uitvielen en waar reigers hun strijd tegen de harde wind leverden. “Nu?”

De man, hij heette Jan, knikte blij. “Het is mijn hobby. Weer of geen weer.”

Prima. We wensten hem veel plezier. Wie weet wat hij zou vinden. Weesp is een van de vestingstadjes die deel uitmaken van de Hollandse Waterlinie. De twee forten en het Muiderslot op loopafstand zijn de stille getuigen de Frans-Duitse oorlog in 1870 en de Eerste en Tweede Wereldoorlog in de 20e eeuw. Een gebied vol historie, waarvan misschien nog wel wat sporen in de grond bewaard zijn.

Na een paar uur kwam Jan met zijn metaaldetector terug uit het weiland. “Kijk eens”, riep hij opgetogen. “Ik heb een paar bedeltjes gevonden, een oude sleutel en wat muntjes. En het allermooiste: deze kanonskogel. Hij lag op 60 centimeter diepte.” Ik sprong in de lucht en gilde. “Wauw, dat is gaaf! Hoe oud zal-ie zijn?” “Ik vermoed dat hij hier in de 18e eeuw terecht is gekomen. Wellicht tijdens het Beleg van Weesp, in 1747. Toen is hier in het gebied veel gevochten tegen het Pruisische leger.” Jan gaf me de kogel, die zo groot was als een grapefruit. “Dit moet je niet tegen je hoofd krijgen”, lachte ik en legde hem op de weegschaal. “Ruim 2,5 kilo!”

Ik voelde me weer net zo enthousiast als vroeger: als klein meisje spaarde ik botten. Van vogeltjes, doodgereden vossen en poezen. Die lagen – uitgekookt – op een plank boven mijn bed. Ook schreef ik lange tijd in vriendenboekjes dat ik later archeoloog wilde worden, maar die carrière is nooit begonnen. Wel vond ik tijdens een vakantie in Normandië een verroest geweer op het strand, tussen de rotsen. En in de bergen van Marokko bikte ik met mijn vader een fossiel van een slak uit een rots. Te mooi.

“Ik kom binnenkort terug met een vriend”, zei Jan. “Want als ik mijn detector mag geloven ligt er in jullie slootkanten nog veel meer.” Drie keer raden wie dan met hen meegaat. Weer of geen weer.