Aan het gezicht van Jurre kon ik niets aflezen. Was hij enthousiast? Hij stelde veel vragen, bekeek alle trekkers goed. “Mooi spul.” De oude boer knikte trots en stelde voor samen koeien te gaan halen. “Dan kun je de kudde leren kennen en onze weilanden zien.”

Voor mij is een weiland gewoon een weiland, maar de mannen praatten honderduit. Over weidevogels, waterstanden en natuursubsidies. Ik verbaasde me wel over de hoeveelheid water. “Ja”, zei de boer. “We kunnen hier zelfs met een bootje koeien halen. En daar verderop hebben we een ponton: een drijvend platform dat als brug kan dienen om trekkers en koeien van het ene naar het andere weiland te brengen.”

Onze zoons wilden hier wel een keer vissen.

Jurre droomde van een echte schaatswinter.

En ik? Ik was alleen maar blij. “Na jaren zoeken ineens zo zeker”, stond op de trouwkaart van Jurre en mij. En we hadden wat gezocht de afgelopen jaren. Omdat Jurre geen boerenzoon is, kon hij na de agrarische opleiding niet een boerderij van zijn ouders overnemen. Eerst werkte hij daarom in Alphen aan den Rijn in loondienst bij een boer, daarna in Drenthe als onderdeel van een maatschap. Maar toen ook dat niet helemaal zijn droom bleek verhuisden we naar Weesp, waar we (vooralsnog) als ZZP’er aan de slag gingen. Ook hier waren we ontzettend enthousiast over geweest en ging ons bloed bruisen bij het idee dat we onderdeel mochten uitmaken van De Groene Griffioen. Maar wat ik al schreef: het was niet van ons. We bouwden niets op.

En dat zou hier wel kunnen.

De boerin leidde ons rond door het woonhuis: een prachtige stolpboerderij uit 2001. Met een ruime woonkamer, een speelkamer voor de kinderen, ja zelfs een strijkkamer. “En een bad”, juichten de kinderen. “En voor iedereen een eigen slaapkamer.” Wie ooit in onze woonkeet is geweest snapt dat nu de tranen bijna over mijn wangen liepen.

We namen afscheid en stapten met de kinderen in de auto. “Wat vond je ervan?” vroeg ik voorzichtig. Jurre glimlachte, keek me aan. “Geen twijfel mogelijk, dit moeten we doen.”