Afbeelding
Foto: André Verheul

Een sieraad van een stadhuis

Stel je voor dat de gemeenteraad van Weesp besluit om het mooie oude stadhuis te slopen en te vervangen voor iets moderns. De wereld zou te klein zijn. Toch is dat wat er gebeurde in 1772. Toen was het mooie oude Schuttershof te klein en daarom moest het tegen de grond om plaats te maken voor een groot, prestigieus stuk nieuwbouw.

Het moet eeuwen geleden al een nijvere bedoening zijn geweest in dat kleine Vechtstadje Weesp. In 1355 gezegend met stadsrechten en dus een grote mate van zelfbestuur. De Weespers hielden zich staande in oorlogen en twisten, profiteerden van de handel en zagen hun stadje opklimmen in de vaart der volkeren. Tot in de 17e eeuw diende het Oude Regthuys aan de Hoogstraat als lokaal bestuurscentrum. Het staat er nog steeds, je kunt er nu vorstelijk in wonen. De gemeenteraad van toen, de vroedschap, kreeg rond 1629 steeds meer te zeggen en te regelen. En wat doe je dan? Op zoek naar iets groters, mooiers, indrukwekkenders. Het oog viel op een kleurrijk pand in Hollandse renaissancestijl aan de Grobbe, dat bekend stond als de Sint Jorisdoelen of het Schuttershof. Een stevige verbouwing maakte het in 1634 geschikt als stadhuis.

ADVERTENTIE

Vol met huizen

De Grobbe, dat was de gracht die in die tijd kabbelde waar we nu over de Nieuwstraat rijden. Van het Grote Plein was nog geen sprake. Tussen de Grobbe en de Oude Gracht stond het helemaal vol met huizen. Toen er aan het einde van de 17e eeuw vier stadswoningen werden weggebroken, was daar het begin van het latere plein.

Slechte tijden

Toen braken er slechte tijden aan. De bierbrouwerijen en de lakenweverijen gingen op de fles en alleen met jenever stoken viel nog wat te verdienen. Weesp kampte met werkloosheid, armoede en achteruitgang toen het in 1757 ook nog eens werd overspoeld door maar liefst vier vluchtelingen: aardewerkproducenten uit het door oorlog geteisterde Saksen. Ze vonden onderdak in een voormalige branderij aan de Kromme Elleboogsteeg en begonnen daar een fabriek. Ah, werkgelegenheid, dacht het stadsbestuur van Weesp en verleende deze gelukszoekers vrijstelling van allerlei belastingen. De vreemdelingen bleken als een van de weinigen in Europa het procedé van porselein maken te kennen. Zie hier het begin van het vermaarde en verfijnde Weesper porselein, dat in hogere kringen bijzonder gewild zou worden. De grootste verzameling Weesper porselein ter wereld is te zien in het Museum Weesp, gevestigd op de tweede etage van het stadhuis.

Nieuwe glans

O ja, het stadhuis. Waar waren we? Productiebeperkingen en hoge graanprijzen hadden de Weesper stokers niet klein gekregen en er waren vanuit de jenever- en brandewijnindustrie een paar lieve duiten in de gemeentekas gevloeid: 136.541 guldens en 21 stuivers vrij kapitaal. En wat doe je dan? Juist, op zoek naar iets groters, mooiers, indrukwekkenders. Of zoals ze het destijds uitdrukten: 'een sieraad dat als het oog der stad zal blinken'. Het nieuwe stadhuis moest het stadsbestuur een nieuwe glans op het gezag verlenen. In tijden van grote politieke instabiliteit was dat niet alleen maar voor de sier, het bracht ook een zekere mate van rust in de tent en in de handel.

Het is dan ook wel te volgen dat president-burgemeester Cornelis van Marken Nicolaasz op 4 april 1772 officieel in de vroedschapsvergadering meedeelde dat er nodig iets aan het stadhuis moest gebeuren. Abraham van der Hart had op dat moment al twee plannen klaarliggen: voor opknappen en voor nieuwbouw. De vroedschap koos voor nieuwbouw. Met als consequentie dat het toen toch echt al historische Schuttershof met de grond gelijk moest worden gemaakt. Bovendien moest het naastgelegen woonhuis van schepen Pieter de Haan worden opgeofferd, anders zou de nieuwbouw niet passen. De Haan sprong daar financieel best aardig uit, al was het maar omdat hij voorkennis leek te hebben en omdat hij de vooruitbetaalde huur van zijn Joodse huurder mocht houden. Die huurder moest het verder zelf maar uitzoeken. Het woonhuis bleef uiteindelijk gespaard en is vandaag de dag alsnog bij het stadhuis geannexeerd, net als het Sint Bartholomeus Gasthuis.

Jacob Otten Husly

Even een quizvraag tussendoor: wat is de overeenkomst tussen de Felix Meritus in Amsterdam, het stadhuis van Groningen en het nieuwe stadhuis van Weesp? Antwoord: het is gebouwd door architect, bouwer en stucwerker Jacob Otten Husly. Maar dat was in 1772 nog niet bekend, want de Weespers waren de eersten die aanklopten bij de toen nog onbekende bouwer, die op dat moment zijn uren vulde als directeur van de Stadstekenacademie.

De bouw van het Weesper stadhuis zou vier jaar gaan duren. De eerste steen werd in februari 1772 gelegd door Abraham d'Arrest, zoon van een populaire burgemeester. Bouwmaterialen werden aangevoerd via de gracht en met paard en wagen. Er zullen hoge houten steigers hebben gestaan rond het stadhuis in aanbouw, zoals we ook kennen van de schilderijen van Jacob van der Ulft met het Paleis op de Dam in aanbouw. Op straat liepen honden en paarden, tonnen werden voortgerold, een koets wilde passeren, kinderen liepen aan de hand, overal waaide stro, iedereen droeg een hoed en het moet er vaak gestonken hebben.

Mooie balans

Arbeiders bouwden het stadhuis van Weesp met hun blote handen. De onderbouw is van hardsteen, de verdiepingen bekleed met zandsteen. Mooi moest het worden, statig. Allure moest het uitstralen, welstand. De Weespers hadden aan Otten Husly een goede. Hij koos geheel in lijn van de nieuwste Franse trend (Lodewijk XVI) voor een ingetogener stijl dan de tot dan toe zo vaak uit de hand gelopen zwierige rococo. Gelukkig maar, anders zaten we nu met een Toppers-kasteel opgescheept. We zien veel strakke lijnen en symmetrie. Maar het is ook weer geen gereformeerde kerk geworden. Die mooie balans heet neoclassicistisch en geeft het stadhuis precies de allure die het nodig heeft. Het statige koepeltorentje, de drie ingangen en het bordes verlenen het stadhuis allure. Net als het deftige balkon, vanwaar stukken werden voorgelezen die 'aan de gemeenten behoorden te worden afgekondigd'.

Machtig marmer

Na het beklimmen van het brede trappenhuis met in stuc uitgevoerde korinthische pilasters, treed je de Burgerzaal en Schepenzaal binnen. Hier spat het prestige af van het machtige Italiaanse en Belgische marmer en het verfijnde rococo stucwerk. Boven de deuren zijn prachtige schilderingen gemaakt door Jacob Buys, een bekende van Otten Husly. Twee grote schilderijen trekken de aandacht, waaronder 'De Zeven Werken van Barmhartigheid' van de Weesper Gouden Eeuwschilder Sybilla uit 1647. Een etage hoger ligt de vroegere Vroedschapskamer met eiken betimmering en een marmeren schouw. Hier is nu het Museum Weesp gevestigd.

Doodshoofd

Omdat de scheiding der machten nog niet was ingevoerd, diende het bestuursgebouw aanvankelijk ook als gerechtsgebouw. In de vierschaar in de hal word je vandaag de dag nog welkom geheten door Vrouwe Justitia, het beeld dat overbleef uit de gevel van het gesloopte Schuttershof. 'Audi Alteram Partem' (hoor de andere partij) staat er boven de ingang van de Schepenzaal. Destijds een opdracht aan de rechters, tegenwoordig aan de raadsleden die hier vergaderen en aan de bruidsparen die hier trouwen. Let ook op het doodshoofd en de tekst 'Discite Iustitiam Moniti' (leer rechtvaardigheid betrachten) boven een klein deurtje. Hierachter voert een trap je direct naar de kerkers. Daarover aan het einde van dit verhaal meer. Eerst even over het geld.

Slappe was

Een boetestelsel moest voorkomen dat er tijdens de bouw te veel vertraging zou ontstaan. Vaak ging het boetegeld deels naar de armen. De boete die betaald moest worden toen de dertien (!) marmeren schoorsteenmantels niet op tijd klaar waren, ging zelfs in zijn geheel naar de gereformeerde diaconie-armen van Weesp. Zorg was in die tijd ook al een belangrijke gemeentetaak en je kon het als arme sloeber slechter treffen dan in Weesp. Hoewel Weesp het nieuwe stadhuis zo uit de gemeentekas had kunnen betalen, werd er een financiering opgesteld. Crowdfunding. Naast gewone obligaties voor 20.00 gulden totaal, werd er voor 40.000 gulden aan lijfrente-tontine uitgeschreven. Iedereen die aardig in de slappe was zat, kon inschrijven. Het totaal aan rente, 1600 gulden, bleef eens per jaar uitgekeerd worden aan alle levende schuldeisers. Maar een tontine was niet overdraagbaar; mocht je dood zijn, dan vervielen de rechten. Hoe langer je adem, hoe voller je zakken.

Bij de voltooiing in 1776 moesten er nog meer leningen van particulieren, het Burgerweeshuis en Gasthuis aan te pas komen om de aannemer te betalen. Totale kosten: 110.454 gulden en 19 stuivers. Sindsdien heeft niemand het meer in zijn hoofd gehaald om in Weesp een stadhuis te slopen.

Straalkacheltje

De burgemeester, de wethouders en de gemeentesecretaris hebben tot op de dag van vandaag hun werkkamer in het 18e-eeuwse pronkstuk. Klinkt romantisch, maar vraag het de burgemeester eens op een kille dag als hij het straalkacheltje probeert aan te zwengelen. CV-buizen noch dubbel glas niet toegestaan, hij moet blij zijn dat de internetabel vernuftig kon worden weggestopt in een oude plint. Verder niets dan bewondering voor het mooie gebouw, waar de gemeente recepties houdt, de Oranjevereniging oranjebitter schenkt, de gemeenteraad vergadert en bruidsparen trouwen.

Opgehangen

Zoals beloofd nog even terug naar de kerkers. Er zijn er twee. Het ruikt er naar vochtig metselwerk. De straffen waren destijds niet mals. Een gloeiendhete ijzeren W (van Weesp) zorgde ervoor dat misdadigers het wel uit hun gebrandmerkte voorhoofd haalden om nog eens in ons vrolijke Vechtstadje terug te keren. Als je echt pech had, werd je opgehangen. Dat gebeurde voor het stadhuis, waarna het lijk bij de stadsrand aan de buitengalg te bungelen werd gehangen om vreemdelingen te waarschuwen. Het is te opvallend dat het ophangen - wat niet zo vaak voorkwam - bijna nooit een Weesper betrof. Mocht er eens iemand uit eigen gelederen tot de strop veroordeeld zijn, dan kreeg hij meestal op tijd hulp bij het ontsnappen.

Het verblijf in de kerkers, die tot 1916 nog in gebruik waren, duurde zolang de rechtszaak aan de gang was. De gevangenis was in de Muiderpoort. Daar kwamen ook vrouwen terecht die graag ruzie maakten, of meisjes die niet wilden deugen. De Muiderpoort is er niet meer. Hij stond tegenover het huidige café Toeters en Bellen, waar alle meisjes deugen.

Bezoek

Museum Weesp op de tweede etage van het stadhuis is elke woensdag tot en met zondag geopend van 13.30 uur tot 17.00 uur. Deze zomer is er extra aandacht aan de geschiedenis van het stadhuis.

Tekst André Verheul. Bronnen: 'Geschiedenis van Weesp' (Aukje Zondergeld), 'Weesp 650 jaar stad' (Aukje Zondergeld, Ida Kemperman), 'Weesp Monumentenstad' (Historische Kring Weesp).
Foto's Brian Elings, Christian Pfeiffer,

Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding