
Hans Blaauwbroek: ‘Vrijheid is niet vanzelfsprekend’
Sinds afgelopen zomer staat Hans Blaauwbroek aan het roer van de Stichting Nationale Herdenkingen Weesp. In die rol organiseert hij dit jaar voor het eerst de Dodenherdenking op 4 mei. Terwijl de voorbereidingen in volle gang zijn, spreekt hij uit hoezeer het thema hem persoonlijk raakt. “Vrijheid is niet vanzelfsprekend. Dat besef zit bij mij diep.”
door Nikola van Krieken
Samen met zijn vrouw woont hij recht tegenover de Grote Kerk, een plek die hem dierbaar werd sinds hij zich hier in 2001 vestigde. “We kwamen hier eigenlijk per toeval terecht”, vertelt Blaauwbroek. “We zochten een huis en hadden eerst iets anders op het oog, maar dat ging niet door. Toen zagen we dit. Eigenlijk te duur, vonden we toen. We zijn er nog even tussenuit gegaan, naar Vietnam. Toen we terugkwamen, ben ik een keer gaan hardlopen in de omgeving en dacht: we gaan het gewoon doen.” Hij glimlacht. “Daar heb ik nooit spijt van gehad.”
Zijn leven speelt zich sindsdien grotendeels af in en rond dit huis. Op de begane grond runt hij zijn eigen bureau, gespecialiseerd in onderzoek en projecten in de gezondheidszorg. De focus ligt op kwaliteit van zorg, met name in verpleeghuizen en de langdurige zorg. “Het gaat mij om de vraag: hoe ervaren mensen die zorg? Of hun familie, hun naasten. Is het veilig, is het goed georganiseerd, voelen mensen zich gezien?”
Zijn werk brengt hem door het hele land. “Van Delfzijl tot Vlissingen en Maastricht. In allerlei verschillende omgevingen.” Hij voert onder meer kwaliteitsaudits uit, maar werkt ook aan projecten rond bijvoorbeeld continentiehulpmiddelen. “Dat klinkt misschien technisch, maar het gaat uiteindelijk over vrijheid. Over mensen die met het juiste hulpmiddel weer kunnen sporten, naar buiten durven, deelnemen aan de samenleving. Dat geldt niet alleen voor ouderen, maar ook voor mensen met bijvoorbeeld een dwarslaesie.”
Psychiatrische instelling
Die focus op het perspectief van de patiënt zit er al vroeg in. Blaauwbroek studeerde gezondheidswetenschappen in Maastricht, een stad waar hij nog altijd een zwak voor heeft. “Het was een geweldige tijd. Ik was actief in de studentenpolitiek, zat in raden, bij de studentenvakbond. Je leert daar veel, ook over jezelf.” De studie was destijds vernieuwend door het probleemgestuurde onderwijs. “Je kreeg geen klassieke vakken, maar casussen die je met elkaar moest oplossen. Dat vroeg zelfstandigheid en creativiteit. Dat lag mij wel.” Toch gaat de oorsprong van zijn betrokkenheid nog verder terug, naar een ‘bijbaantje’ toen hij vijftien was. In een psychiatrische instelling in Assen werkte hij op een afdeling voor chronisch zieke patiënten. “Ik ben daar behoorlijk van geschrokken”, zegt hij. “Het stonk naar urine, mensen werden er aan hun lot overgelaten. Mijn indruk was dat ze waren afgeschreven.” Hij schreef er destijds zelfs een brief over, op verzoek van een medewerker. “Misschien is die ervaring wel een trigger geweest voor de passie voor mijn werk nu.”
Jeugd in gevangenisdorp
Het stonk naar urine, mensen werden er aan hun lot overgelaten
Hij groeide op in Veenhuizen, een voormalig gevangenisdorp in Drenthe. “Een bijzondere plek”, noemt hij het. “Je mocht er alleen wonen als je er werkte. Mijn vader werkte bij het landbouwbedrijf dat bij de gevangenissen hoorde.” Het leven daar kende zijn eigen logica. “We hadden een huis met een enorme tuin, die werd onderhouden door gedetineerden. Die kwamen dan met een wachtmeester langs. Dat voelde niet raar, dat was gewoon hoe het ging.”
Het dorp had alle voorzieningen, van zwembad tot theater, maar was tegelijkertijd afgesloten van de buitenwereld. “De directeur van de gevangenis was ook de burgemeester. Het was geen openbare weg, dus ik kon er op mijn twaalfde al op een brommer rijden.” Hij herinnert zich ook de momenten van onrust. “Als er een gevangene ontsnapte, was er paniek. De bewakers hadden alleen een gummiknuppel en een fiets. Dat zegt wel iets over de tijd.”
Het stonk naar urine, mensen werden er aan hun lot overgelaten
Toen zijn vader zijn baan verloor door een reorganisatie, moest het gezin het dorp verlaten. “Dat was een harde regel: als je er niet werkte, mocht je er niet wonen.” Ze verhuisden naar Assen, waar hij de middelbare school afrondde. “Dat was wel een overgang, maar ook op het juiste moment. Er was in Veenhuizen namelijk vrij weinig te doen voor tieners.”
Brief aan premier
Zijn jeugd kenmerkt zich door betrokkenheid en discussie. “We spraken thuis veel over politiek. Mijn vader stemde VVD, daar waren wij het niet altijd mee eens”, zegt hij met een lach. “Wij zaten meer in de PSP-hoek.” Na het overlijden van zijn vader vonden ze een brief die hij ooit had gestuurd aan premier Den Uyl, uit onvrede over een maatregel. “Dat typeert hem wel. Betrokken, kritisch.” Die betrokkenheid bij maatschappelijke vraagstukken loopt als een rode draad door zijn leven. Na zijn studie werkte hij onder meer als directeur van een provinciaal consumentenplatform in Utrecht, een belangenbehartigingsorganisatie voor patiënten. Daar ontmoette hij ook zijn vrouw, Margo. “Zij woonde in Amsterdam, ik in Utrecht. Toen we wilden samenwonen, kwamen we hier terecht.”
Weesp bevalt hem uitstekend. “Alles is dichtbij. De winkels, de natuur. Binnen een paar minuten sta je tussen de schapen in de polder. En je zit zo in Amsterdam of in het bos.” Maar wat hij misschien nog wel belangrijker vindt, is de sociale omgeving. “We hebben leuk contact met de buren. Dat vind ik essentieel.”
Stichting Nationale Herdenkingen Weesp
Het is ook via die omgeving dat hij betrokken raakt bij de Stichting Nationale Herdenkingen Weesp. “Mijn achterbuurvrouw zat in het bestuur en vroeg mij. Ze kende mij van mijn eerdere rol als voorzitter van de adviesraad sociaal domein.”
Hij begon als bestuurslid, maar nam afgelopen zomer het voorzitterschap over toen zijn voorganger Sjoerd Huisingh vertrok. “Ik heb daar wel even over nagedacht. Kan ik dit combineren met mijn werk? Maar uiteindelijk dacht ik: ja, dit wil ik doen.”
De stichting organiseert jaarlijks de herdenking en viering rond 4 en 5 mei. “We beginnen al in oktober met de voorbereidingen”, legt Blaauwbroek uit. “Wat gaan we doen, hoe ziet het programma eruit?” Het bestuur bestaat uit zes mensen, de taken zijn verdeeld. “Ik coördineer een deel van het programma en leid de vergaderingen.”
Dit jaar is er onder meer een kinderherdenking, een herdenking in Oversingel en het centrale programma op maandag 4 mei. Er wordt ook aangesloten bij het landelijke thema: ‘De geschiedenis leren begrijpen’. “We hebben sprekers gevraagd om dat op hun eigen manier in te vullen. Bijvoorbeeld Fahima Popal komt spreken over de rol van vrouwen in de oorlog, en legt een link naar het heden.”
Molukse gijzeling
Voor Blaauwbroek is de betekenis van 4 mei persoonlijk. “Ik heb nagedacht over wat vrijheid voor mij betekent. Misschien heeft dat ook te maken met waar ik ben opgegroeid.” Veenhuizen, met zijn geschiedenis van onvrijheid, speelt daarin een rol. Maar ook gebeurtenissen uit zijn jeugd, zoals de Molukse gijzeling in Assen.
Blaauwbroek raakt zichtbaar geëmotioneerd als hij teruggaat naar de die herinneringen uit de jaren zeventig. “Mijn nicht werkte als secretaresse in het provinciehuis dat werd bezet”, vertelt hij. “Zij werd gegijzeld.”
Het nieuws kwam ineens heel dichtbij. “Wij woonden daar vlakbij. In onze tuin lagen mariniers, klaar om in te grijpen. Dat maakte enorme indruk.” Zijn stem hapert even. “Er is toen ook een gedeputeerde doodgeschoten. Het was heftig, ook al duurde het uiteindelijk maar een paar dagen.”
Veroordelen en begrijpen tegelijk
De gebeurtenis liet hem niet los. Niet alleen vanwege de spanning en het geweld, maar ook door wat erachter schuilging. “Later ben ik me gaan verdiepen in de achtergrond van die acties”, zegt hij. “Dan zie je dat het verhaal veel ingewikkelder is.” Aan de ene kant wijst hij het geweld resoluut af. “Het waren daders, er zijn onschuldige slachtoffers gevallen, dat is gewoon fout.”
Tegelijkertijd groeide er begrip voor de frustratie die eraan ten grondslag lag. “De manier waarop Molukkers hier in Nederland zijn behandeld, daar zit een groot onrecht. Mensen die hier als militair aankomen en vervolgens op de kade worden ontslagen, dat is met de blik van nu bijna niet te bevatten.
Je kunt iets veroordelen en tegelijk proberen te begrijpen waar het vandaan komt”, zegt hij. “Dat maakt het complex, maar ook belangrijk om erover na te blijven denken. Vrijheid is kwetsbaar. Dat zie je ook nu, in de wereld om ons heen.” Hij volgt het nieuws en maatschappelijke discussies op de voet. “Neem de discussie over asielbeleid. Mensen worden al snel weggezet als ‘gelukzoekers’, maar als je eerlijk bent: als jij in zo’n situatie zou zitten, wat zou je dan zelf doen?”
Toch probeert hij ook balans te houden. “Je kunt er niet altijd mee bezig zijn. Dat is ook gezond. Maar momenten als 4 mei zijn belangrijk om stil te staan, om te reflecteren.” Hij herinnert zich hoe dat vroeger thuis ging. “We hielden altijd twee minuten stilte. Soms gingen we naar een herdenking. Het was geen groot thema, maar wel aanwezig.”
De oorlog zelf had in zijn omgeving minder directe impact dan in de Randstad. “Mijn moeder kwam van een boerderij, daar was eten, dus zij heeft geen hongersnood meegemaakt. Veenhuizen was vrij zelfvoorzienend.” Dat maakt de herdenking voor hem niet minder belangrijk. “Het gaat om alle mensen die zijn omgekomen, in alle oorlogen. En om wat we daarvan leren.”
Koken en reizen als passie
Naast zijn werk en vrijwilligerswerk houdt Blaauwbroek van hardlopen en koken. “Ik zat laatst in een verpleeghuis waar veel Surinaams-Hindoestaanse bewoners wonen. Ze hadden een kookboek gemaakt met hun gerechten. Dat vind ik prachtig. Ik heb er een gekocht en ga er zelf mee aan de slag.” Over twee maanden gaat hij terug. “Dan ga ik mijn ervaringen delen.”
Reizen doet hij ook graag. Vorig jaar ging hij met een vriend naar de Molukken. “Hij wilde zijn roots zien, maar durfde niet alleen vanwege zijn gezondheid. Toen besloot ik mee te gaan. We kwamen op plekken zonder toeristische infrastructuur, volledig afhankelijk van familie. Dat is bijzonder.”
Afgelopen week ging Blaauwbroek met vrienden naar Zuid-Frankrijk. De voorbereidingen voor 4 mei zijn in volle gang, dus zijn laptop en telefoon gingen mee. “We kunnen veel op afstand regelen, en de meeste voorbereidingen zijn in de afgelopen weken al gedaan.” Hij vertrouwt op het team. “We hebben een betrokken bestuur. Dat maakt het werk leuk.”
Op 4 mei staat hij, als voorzitter, vooraan bij de herdenking. Een rol die hij serieus neemt. “Het is een eer om dit te mogen doen. En een verantwoordelijkheid.” Hij pauzeert even. “Wat mij betreft is het niet alleen herdenken, maar ook nadenken. Over wat vrijheid betekent, toen en nu. Want die staat echt wel onder druk.”


