
Levi’s
MensenOp zoek naar een kledingwinkel in Weesp die Levi’s spijkerbroeken verkoopt (zoekwoorden“Levi’s Weesp”), stuurde Google mij naar een site over Weesper slagers. Het onverwachtebruggetje tussen die twee – Levi’s en slagers – bleek de slager Levie Wonder te zijn, wiensvoornaam als ‘Levi’ werd gespeld op de site.
De joodse slager Wonder had van de jaren ’20 tot 1942 een slagerij op de Slijkstraat waar hij koosjer vlees verkocht. In het pand waar Levie’s slagerij zich bevond zit nu een schoonheidssalon, maar ‘zijn’ synagoge staat er nog. Op warme zomeravonden, wanneer we een ijsje gekocht hebben bij Nelis, strijken we weleens neer op het stoepje van de synagoge. Dan wijs ik mijn kinderen op de Stolpersteine die daar liggen van de families Rood, Brilleslijper, Menko, de Vries en Müller.
Mannen, vrouwen, kinderen van vier en acht jaar; allemaal gedeporteerd en omgekomen in concentratiekampen. Uit de deportatie- en sterfdata kun je precies opmaken hoe lang de trein erover deed: twee dagen naar Auschwitz, drie dagen naar het oostelijker gelegen Sobibor. Buiten de synagoge en de Stolpersteine is er weinig dat aan de voormalige joodse gemeenschap in Weesp herinnert.
Ook in Museum Weesp, waar we deze voorjaarsvakantievoor het eerst naartoe gingen, wordt er nauwelijks aandacht aan besteed. In het winkeltje was een boek over de Weesper joden te koop uit 1983, van Dick van Zomeren. Ook Levie Wonders naam komt daarin voor, op een Duitse lijst, uiteraard correct gespeld.
Intussen houdt Google Wonders nagedachtenis levend. Zo kon ik lezen dat hij de zoon was van een moeder met de prachtige naam Vrouwtje Pakkendrager. Dat hij trouwde met Rosa Menko en drie dochters kreeg: Rivka (Kaatje), Jacoba en Miep, die als enige de oorlog overleefde. Dat het kleinkind van Levie en Rosa, nog in Kaatjes buik, werd omgebracht in Auschwitz. Het is zo treurig allemaal en het past niet op één Stolperstein.
De synagoge van Weesp is rond de eeuwwisseling in ere hersteld en dat is fijn. Dezer dagen wordt er weer de Heer geloofd en muziek gemaakt. Na de oorlog deed de synagoge dienst als garage en arbeidsbureau. Toen de gemeente er opnieuw een winkel in wilde vestigen, wist een voortvarende stichting de synagoge te bemachtigen. Wat voor winkel? Volgens dagblad Trouw een ‘spijkerbroekenhandel’.







