Het is nooit een leuk moment, maar een keer in drie of vier maanden brengen we een koe naar de slager. Bijvoorbeeld omdat ze niet drachtig wil worden, of omdat ze nauwelijks nog melk geeft. En dan is het hard maar simpel: dan kost ze meer dan dat ze opbrengt. Ook mogen we in totaal 57 koeien houden van de overheid, dus als een jonge vaars voor het eerst gekalfd heeft en koe is geworden, dan hebben we er eentje te veel.

Na een lange zoektocht hebben we gelukkig een geschikte slager gevonden: hij is Skal gecertificeerd (=biologisch), weet de juiste kruiden – aan bijvoorbeeld de hamburgers en saucijzen – toe te voegen en verpakt het vlees vacuüm. Ideaal voor de verkoop vanuit onze boerderijwinkel. Het enige nadeel: de slager woont in Oene. Oene op de Veluwe, rechts van Epe. En dat is een dik uur rijden. Niet alleen voor ons, maar ook voor de koe.

Het zou dus mooier zijn als we een goede slager dichterbij vinden.

Enfin, vanwege de voorjaarsvakantie mochten mijn zoontjes (6 en 4) mee om het vlees op te halen. We gingen met de bestelbus, want van één koe krijg je met gemak 20 kratten vlees. Biefstukken, stooflappen, soeppakketten. Alleen al voor het gehakt heb je een paar kratten nodig. “De gordels goed vast jongens, want nu zitten jullie allebei voorin. Op naar Oene!”

Een paar weken geleden kreeg ik een boek van mijn buren te leen. ‘Het koeienparadijs’ – wellicht kent u het. Het bevat twintig portretten van koeien die in koeienrusthuis De Leemweg wonen, geschreven vanuit het perspectief van het dier. Ze vertellen het verhaal van hun leven: waar ze opgroeiden, hoeveel kalfjes ze kregen en waarom ze naar de slacht werden gebracht. En hoe ze daar aan de dood wisten te ontsnappen: door weg te rennen, te vluchten. Eenmaal gevangen werden ze door dierenvrienden naar de Leemweg gebracht, waar ze oud en grijs mogen worden.

Van tevoren hadden mijn buren me gewaarschuwd: “Als je dit boek leest, zal je nooit meer een koe naar het slachthuis brengen.” Inderdaad bleken de verhalen zo lief en ontroerend geschreven dat ik me als boerin steeds slechter ging voelen over ons werk. Ik liet mijn man een hoofdstuk lezen. “Het lijkt wel Disney”, bromde hij. “De koeien krijgen allerlei menselijke emoties toegedicht.”

Tja. Het blijft tegenstrijdig.

Oene blijkt uit slechts een paar straten te bestaan, met in het kleine centrum een fietsenmaker, kerk en slager. Zodra we hier binnenstappen, verbaas ik me over de drukte. Zo leeg als het dorp leek, zo vol is het binnen. Vijf stevige vrouwen achter de toonbank wegen, snijden en verpakken alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. “Anders nog iets? Wie is de volgende?” Vijftien klanten verder ben ik eindelijk aan de beurt. “Ik kom onze koe ophalen.” Een van de slagersvrouwen wenkt me naar achteren en wijst me de koelcel. Daar staat koe 4056, diepgevroren en in kleine porties verpakt. “Volgens mij beweegt ze niet meer”, zegt mijn oudste zoon aarzelend. “Lekker, hamburgers”, roept de jongste. Ik bekijk de riblappen en entrecotes: mooi gemarmerd vlees. Ook de slagersvrouw knikt goedkeurend: “Zo zien we ze het liefst.”

Met een bus vol keren we huiswaarts. Voorlopig hebben we weer vlees genoeg.